Synopsis

In het eerste bedrijf stapt de lezer met de beroemde dichter in 1609 uit aan de Veerstal in Tergouw. Shakespeare is London vanwege de lockdown door de pest. ontvlucht. In de Sint Jan ontmoet hij Martijntje Jaspers dochter, getrouwd met William Baernelts. Als gezel zou Shakespeare met Barends de eerste pijpenmakerij Achter de Vismarkt beginnen. In het tweede bedrijf vertoeft Shakespeare in Londen en Stratford upon Avon. Een morbide en typisch Shakespeareaans drama ontspruit uit het brein van de toneelschrijver. In het derde bedrijf arriveert William voorgoed in Tergouw. Waar wordt de beroemde bard tenslotte begraven? Bestonden lockdowns, political cartoons, complotdenken, slavernij, intersekse-condities en persiflages in de tijd van  Shakespeare?

EERSTE BEDRIJF

SCENE I 

 

In 1609 raast de pest opnieuw door Londen. Bij het Globe Theater op de zuidelijke oever van de Theems staat slechts één koets met één paard. Mijn medeacteur Richard helpt mij om de grote deuren van het theater te sluiten, wederom op last van de regering.

We sjouwen mijn reiskist naar de wagen waar de koetsier op de bok zijn gezicht half bedekt heeft met een zwarte doek.

‘Naar de havens als het u belieft!’

Als de zweep knalt kijk ik nog eenmaal naar het grote houten amfitheater dat onlangs bedekt is met pleisterwerk en een rieten dak. We rijden op deze zomerse dag langs de bloeiende rozentuinen. De stank van de zeepziederijen verderop is hier al onverdraaglijk en bij de leerlooierijen is het helemaal niet te harden. Mijn collega geef ik een geurig takje tijm om voor zijn neus te houden. Zelf bind ik mijn sjaal om. Bij de bordelen en de arena’s waar beren en stieren door honden worden gebeten is het uitgestorven. De paardenhoeven klepperen luid op de London Bridge en we slaan linksaf naar de Lower Thames Street. De stank lijkt hier nog erger te worden.

‘William, er liggen hier lijken op straat en daar in de portieken zelfs dode kinderen!’

De zweep klakt en het paard gaat van draf over in galop.

‘Ja, wegwezen hier! Dit is niet om aan te zien, verschrikkelijk!’

Na een kwartier stopt de koets op een druk kruispunt. Hier stap ik uit en Richard reist verder om zich later te voegen bij ons toneelgezelschap ‘The King’s Men’. Per schip zal de groep langs de kustplaatsen varen om uitvoeringen te geven in tavernes en op overdekte binnenplaatsen. We nemen afscheid en ik stap over in een groter rijtuig met meerdere inzittenden, richting Gateway. Iedereen kijkt strak voor zich uit en houdt angstvallig neus en mond bedekt. In het havenkantoor kan ik een hut boeken op een groot galjoen, de ‘Cedo Nulli’. Gelukkig zal het vandaag nog uitvaren. Ik vrees de douane als de pest; in de holle hakken van mijn laarzen heb ik de in wol gewikkelde goudklompjes verstopt. Mijn vader, de handschoenenmaker, heeft dit zeer vernuftig gedaan. Alleen zijwaarts kun je de hakken lostikken. Als beambten ontdekken dat je veel geld uitvoert wordt dat zonder pardon van je afgenomen. Iets wat mijn held Erasmus, de beste vriend van Thomas More, ooit is overkomen.

Ik blijf rustig in gesprek met iemand achter mij maar kan het trillen en zweten van mijn lijf moeilijk onderdrukken.

‘Naam?’

‘William Shakespeare.’

‘Bestemming?’

‘De Nederlanden en via Rotterdam, Delfshaven naar Tergouw.’

Door uitgebreid te antwoorden hoop ik de indruk te wekken dat ik niets te verbergen heb. Dit keer moet ik mijn wambuis en laarzen uittrekken. Ik zet mijn hoed op de schachten van mijn laarzen en na het fouilleren inspecteren de douaniers mijn geldbuidel. Boeken, ganzenveren, rollen papier, inktpotten, niets blijft onaangeroerd. Ik doe alsof het gewroet in mijn spullen me niet interesseert en blijf half met mijn rug naar de beambten gekeerd staan, in gesprek met een medereiziger over hedendaagse toneeluitvoeringen. Plotseling tikken de douaniers luid met mijn pijpenmallen op tafel.

‘Wapenkolven?’

‘Nee heren, deze houten mallen gebruik ik om pijpen te maken. Daar in die leren lappen zit de klei. Wacht, ik zal een witgebakken pijp voor u in een halve mal leggen. Ziet u?’

‘Zit er buskruit in die zakjes?’

‘Hennepzaad heren!’

Ze kijken me nog eens scherp aan, schatten me vervolgens waarschijnlijk in als een doorsnee marskramer en dan mag ik eindelijk doorlopen.

Ik sleep mijn oude zeemanskist richting het schip waar een kruier mij de loopplank ophelpt. Een purser loodst mij verder over het dek naar de hut waar ik me uitgeput in de hangmat laat zakken.

Ik fluit tussen mijn tanden van opluchting.

Door de open patrijspoort zie ik tegen een bijna blauwe lucht de vrolijk wapperende vlaggen van andere boten. Ze wijzen op een gunstige westenwind. Ik verheug me intens op deze reis naar Tergouw, het stadje waar Erasmus geboren is en dat tevens bekend staat om haar tolerante politieke en religieuze klimaat. Al sinds de vorige eeuw zet de stad haar poorten wijd open voor vluchtelingen uit Engeland, ook uit Vlaanderen. Eindelijk is het weer mogelijk om naar het continent te reizen nu de Spaans-Engelse oorlog is beëindigd. De Habsburgers hebben dit voorjaar in Antwerpen een bestand van twaalf jaar gesloten met de Hollanders. Piraterij zal uitsterven, zegt men.

Bijna uit gewoonte stop ik mijn pijp en vraag aan de kok in de kombuis om vuur. Op het dek aan stuurboord vind ik een plekje in de zon en het valt mij op dat dit nieuwe schip in de gewelfde opening voor de bezaansmast een venster heeft. Handig voor de roerganger die nu in weer en wind de zeilen en de matrozen op de drie masten in de gaten kan houden. Bij de fokkemast en de boegspriet worden de laatste zeilen gehesen. Ik adem met volle teugen de frisse zeelucht en geniet terwijl meeuwen om de boot scheren.

 

We zien uw reacties hieronder graag tegemoet!